Elektriciteit Hoofdstuk 2 Paragraaf 3

Vul de onderstaande tekst steeds aan met de juiste gegevens

Vul al de gaten en klik daarna op de controlebutton.


Je nodigt een vriendin uit om te komen eten. Je haalt de maaltijd uit de diepvries en plaatst deze in de magnetron. Op het typeplaatje van de magnetron staat 920 W, 230 Volt. Je zet de magnetron aan en het duurt 15 minuten voordat deze afslaat. Tijdens het wachten oefen je nog even voor Nask1 en je berekent dat de stroom door het apparaat A is.
Omdat je eigenlijk ook wel eens wil weten hoe duur dit warm maken van de maaltijd eigenlijk is bereken je ook dat deze magnetron dus uur heeft aangestaan.
De totale hoeveelheid gebruikte energie is dan kWh.
Omdat 1 kWh ongeveer € 0,24 kost heeft het aan energie dus € gekost (afronden op centen).

Komende zomer gaat de magnetron (en nog veel meer) mee in de caravan op vakantie.

Voor koude dagen staat er een kacheltje in de caravan. Op het typeplaatje staat dat 230 V en 5 A.
Het vermogen van het kacheltje is dus W.
Juist op zo’n hele koude dag ga je om tien uur ’s morgens de deur uit en vergeet het kacheltje uit te zetten. Wanneer je terug komt om vier uur is het wel lekker warm maar vervelend is natuurlijk wel dat je inmiddels kWh hebt gebruikt.

In de caravan heb je ook een lampje op batterijen hangen. Op de lamp staat 9,6W/0,8A. Deze lamp gaat kapot en je moet natuurlijk wel een lamp kopen die op dezelfde spanning van V kan werken.
Er zijn drie lampen te koop:
op de eerste staat 3W/0,25A deze kan ik (wel/niet) gebruiken want de spanning voor deze lamp moet V zijn.
op de tweede staat 3W/0,5A deze kan ik (wel/niet) gebruiken want de spanning voor deze lamp moet V zijn.
op de derde staat 72W/6A deze kan ik (wel/niet) gebruiken want de spanning voor deze lamp moet V zijn.

Omdat je zuinig bent met energie is lamp (1/2/3) bij vervanging de verstandigste keus